De ontwikkeling van vacuümglas
De ontwikkeling van vacuümglas begon vanuit de behoefte aan een slank alternatief voor traditioneel isolatieglas. In monumentale gebouwen en oudere woningen was er vaak geen ruimte voor dik dubbel of tripleglas, terwijl de vraag naar betere isolatie steeds groter werd. Ingenieurs en glasproducenten gingen daarom op zoek naar een oplossing die dun, licht en energiezuinig was.
In de jaren negentig werden de eerste prototypes van vacuümglas ontwikkeld in Japan. Door twee glasplaten te scheiden met een zeer kleine afstand en de ruimte daartussen vacuüm te trekken, ontstond een revolutionair product. Het vacuüm voorkomt warmte- en geluidsoverdracht, terwijl het glas nauwelijks dikker is dan enkelglas. Microscopisch kleine steunpuntjes tussen de glasplaten zorgen voor stabiliteit en duurzaamheid.
Sindsdien is de techniek sterk verbeterd. Moderne vacuümglasproducten hebben een extreem lage U-waarde (tot 0,4 W/m²K), zijn licht van gewicht en hebben een lange levensduur. Vaak zijn ze voorzien van speciale coatings voor extra zonwering of isolatie.
Vandaag de dag wordt vacuümglas wereldwijd toegepast in restauratieprojecten, duurzame nieuwbouw en high-end architectuur. Het combineert innovatie met het behoud van historische esthetiek en speelt een belangrijke rol in de energietransitie binnen de bouwsector. Vacuümglas is daarmee een glasheldere stap vooruit.